
‘Waar heb je je geweer liggen?’
2 augustus 2023 om 07:00 LokaalMark Pul
In deze maandelijkse rubriek schetst huisarts Mark Pul van Huisartsenpraktijk Doornspijk een gevarieerd beeld van zijn werk als arts op het platteland en als palliatief consult arts in hospice De Regenboog in Nunspeet.
Een eindje in de 90 was hij. Woonde, samen met zijn nicht en haar man die voor hem zorgden, in een klein huisje aan de bosrand. Ik kwam er al een aantal jaren, niet voor hem, maar voor z’n familie. Als het rustig was kon het zijn dat ik nog een ree zag. Prachtig, genieten van mooie natuur tijdens werkzaamheden.
Een eindje in de 90 was hij. Eigenlijk altijd gezond. Hij stond dicht bij de natuur. Vandaag de dag zouden we hem gewoon een stroper noemen. Inmiddels kwam ook zijn einde in zicht. Ik zat alleen met hem in de kamer. “Dokter”, zei hij, “ik weet dat je er niet zo van bent…, maar als ik in het bos een dier zag wat leed, schoot ik het dood met een kogel… U kunt me toch ook helpen, u kunt me toch iets geven, een spuitje?” Ik vroeg aan hem of hij echt leed. “Nee!” zei hij direct. Ik ben oud, heb geen pijn, ben niet benauwd. Ik heb eigenlijk nergens last van. Maar, ik weet wel dat mijn einde nu in zicht is door de nare ziekte die ik heb.”
En dat wist ik inderdaad ook. Hij kon niet meer geopereerd worden. Zijn einde was menselijk gesproken binnen handbereik.
“Waar heb je je geweer liggen?” vroeg ik hem. “Daar aan de muur” gebaarde hij. “En de kogels dan?” vroeg ik opnieuw. “In de lade van de kast.” “Nou,” zei ik, “dan zullen we het geweer maar laden en je een schot tussen de ogen geven…”
Even bleef het stil. “Maar dokter, dat wordt zo’n troep! En m’n nicht kan dat denk ik ook niet aan…”
Ik dacht na over ons gesprek. “Inderdaad”, zei ik, “maar een spuit geeft voor mij en je nicht net zo veel troep beste man.” Hij was het met me eens.
Samen hebben we er nog even over gesproken en vervolgens samen besloten dat dit gezien de omstandigheden niet de juiste weg was. Zijn nicht kon niet meer goed voor hem zorgen. Daar had hij zelf weer zorgen over. Ik vertelde hem dat er een goed huis was in de buurt, een hospice. Daar zou hij rustig zijn laatste dagen van zijn leven kunnen doorbrengen. Hij ging er mee akkoord.
Na enige tijd bezocht ik hem daar. Hij had het er erg naar zijn zin. Maakte grappen met de zusters. Was voor het eerst in zijn leven in bad geweest. Hij gaf me een foto waarin hij in dat bad lag met het witte sop tot aan zijn neus. Een brede glimlach gleed over zijn gezicht.
In volle tevredenheid is hij in het bijzijn van familie en vrienden heel rustig overleden, zonder echt een lijdensweg.
Ik was ook tevreden, samen met zijn familie en vrienden, die hem iedere dag hebben bezocht.






