
Noord-Veluws Archief: Een lichtje in de nacht
11 maart 2026 om 06:00 HistorieMariëlle Bos van het Noord-Veluws Archief (NoVA) bespreekt in deze rubriek maandelijks een wisselend onderwerp uit de gemeenten Nunspeet, Elburg of Oldebroek.
Vandaag de dag is het voor ons normaal dat wegen en straten ’s avonds verlicht worden. Er is tegenwoordig zelfs zóveel verlichting dat er wordt gesproken van ‘lichtvervuiling’. Vanaf de middeleeuwen was het in veel steden verplicht om in het donker een lantaarntje met je mee te dragen. Elke dag een soort Sint Maarten, zeg maar. Openbare straatverlichting kwam pas in de achttiende eeuw langzaam op.
In 1573 verplicht het stadsbestuur van Harderwijk dat men zich ‘s avonds na negen uur niet meer op straat mag bevinden zonder lantaarn. Ook herbergiers mogen niet meer schenken na dat uur. Doen ze dat toch, dan kunnen ze een boete krijgen van vijf pond. Blijkbaar was de boete van vijf pond niet hoog genoeg. In 1575 beveelt het stadsbestuur namelijk dat niemand de stad nog in mag zonder lantaarn na het luiden van het schepenklokje. Net als twee jaar eerder mogen de herbergiers dan ook niet meer tappen. Dit keer is de boete tien pond. In januari 1584 wordt het nog bonter. Dan mogen ingezetenen, die niet hoeven wachtlopen, na zeven uur ’s avonds niet meer zonder lantaarn naar buiten. En bij commotie of alarm mogen kinderen en vrouwen helemaal niet meer buiten komen. Dit heeft waarschijnlijk met de perikelen van de Tachtigjarige Oorlog te maken. Dat er werd verordend dat mensen een lantaarn bij zich moesten dragen, geeft aan dat er nog geen algehele straatverlichting was.
In Elburg vinden we in het archief een ‘Rekening van kosten der lantarens in den jaare 1798’. Dit soort straatverlichting brandt door middel van katoen in olie gedrenkt en moet elke avond worden aangestoken. In 1798 bedroeg het aanschaffen van de olie en het katoen 241 gulden en tien stuivers. De opsteker verdiende een tractement van 26 gulden en tien stuivers. Het repareren van de lantaarns kostte 32 stuivers. Het stadsbestuur had een lantaarnfonds opgezet waarin dat jaar 367 gulden en twee stuivers zaten, waardoor er nog geld overbleef voor het volgende jaar. Voor 1799 werd er gelijktijdig een offerte uitgebracht, waarbij uit werd gegaan van zes maanden verlichting. Er werd namelijk alleen verlicht als het nodig was.
In 1813 werd een bestek opgesteld voor het vernieuwen van de lantaarns in Elburg. Daarbij werden voorwaarden gesteld vanaf hoe laat de lampen mochten branden. Van september tot oktober brandden de lampen vanaf zes uur en vanaf 15 oktober tot en met november vanaf vijf uur ‘s middags. In december en januari, de kortste dagen, werden de lampen al om vier uur ‘s middags aangestoken. Tot in ieder geval in 1915 had Elburg een opsteker in dienst. In september 1915 krijg Johannes Hulsman een gratificatie voor zijn verleende diensten en schrijft hij de raad van Elburg een bedankbriefje.
Later werden de olielampen vervangen voor gaslantaarns op stadsgas. Tegenwoordig zijn alle lampen elektrisch en meestal voorzien van Ledverlichting.
