De heer en mevrouw Schenk uit Elburg.
De heer en mevrouw Schenk uit Elburg. Hanneke Bloemendaal

Rubriek 80 jaar vrijheid: Herstel overzee leidt tot levenslange vriendschap. Elburgs echtpaar deelt oorlogsherinneringen

29 juli 2024 om 12:00 80jaarvrijheid

Zij maakte de oorlog mee in Amsterdam. Hij in Elburg. Het echtpaar Schenk, beiden zijn 90 jaar en bijzonder vitaal, blikt samen terug op een roerige tijd. 

Hanneke Bloemendaal

“Ik was zes jaar toen de oorlog uitbrak en woonde in Amsterdam-Noord”, vertelt mevrouw Schenk-Verhoef. “Mijn vader had een levensmiddelenwinkel, waarin ook mijn moeder hielp. Ik kan me nog heel goed herinneren dat de Fokkerfabriek, waar wij vlakbij woonden, door de Engelsen werd gebombardeerd (red. in juli 1943). Het was 8.00 uur ‘s ochtends en ik moest naar school. Voor de winkel stond een rij klanten -alles ging op de bon- te wachten. Het luchtalarm ging, mijn vader deed de deur open en de mensen stoven naar binnen. De bommen vielen en ik werd razendsnel door mijn moeder in de zoutbak gestopt die onder de toonbank stond -zout werd destijds per pond of kilo verkocht- orn me te beschermen tegen rondvliegend glas. De etalageruit was aan diggelen en later bleek dat de hele overkant van de straat, waar onder andere het postkantoor zat, verdwenen was.”
Ze vervolgt: “Vooral in de laatste jaren van de oorlog hadden we honger. Kregen soep uit de gaarkeuken, aten suikerbieten en bloembollen. Overal liepen mensen hout te zoeken. In het nabijgelegen Vliegenbos stond na de oorlog geen enkele boom meer: alles was gekapt om op te stoken.”
Meneer haakt er op in: “Wij hebben geen honger gehad in de oorlog. Mijn ouders hadden een bakkerij in het centrum van Elburg, ik weet wel dat er op een gegeven moment geen meel meer was en dat er gemalen bonen gebruikt werden om brood te bakken. Verder had zowat iedereen een moestuintje en we aten heel veel paling. In de laatste oorlogswinter lag er zeker 40 centimeter sneeuw en er kwamen stromen mensen uit het westen, met karren en kinderwagens, voor voedsel. Er was een gaarkeuken in Elburg waar ze eten konden halen.” Mevrouw: Ik ben in de oorlog met nog een paar meisjes naar Serooskerke in Zeeland gebracht, omdat er in Amsterdam heel weinig voedsel was. De boeren daar hadden nog wel eten. Ik kwam op een grote boerderij terecht, daar moest ik op de zolder slapen. Er zat een grote spin en omdat ik dat zo eng vond, mocht ik bij de buren logeren, bij de dominee. Op een gegeven moment kwamen er Duitsers en moesten we weer weg. We werden toen naar Noord-Holland gebracht, naar Berkhout. Onderweg kwamen er vliegtuigen over en toen moesten we allemaal in een greppel gaan liggen.” Op de vraag of ze geen heimwee had naar haar ouders reageert ze: “Nee eigenlijk niet, mijn ouders waren altijd druk met de zaak. Mijn moeder heeft in die periode ook erg geleden onder het overlijden van mijn zusje van 4 jaar. Zij had difterie en er waren geen medicijnen. Ergens vond ik het wel fijn dat ik aandacht kreeg. Meneer Schenk herinnert zich nog dat Engelse vliegtuigen die vanuit Duitsland terugkeerden naar Engeland en aangeschoten waren, op het IJsselmeer probeerden te landen. Ze wilden voorkomen om op een dorp of stad neer te komen. Omgekomen vliegeniers werden door vissers binnengehaald en tijdelijk begraven in Elburg.” Mevrouw: ‘Ik heb in Amsterdam drie door de Duitsers neergeschoten parachutisten aan de daken zien hangen. Ze waren dood. Dat blijft je wel bij. Ik kan ook nog steeds die vliegtuigen horen overkomen. Honderden waren het er. Toen we dachten dat we bevrijd waren, gingen we met mijn ouders naar het centrum van Amsterdam. Er bleken echter nog Duitsers rond te lopen en die begonnen te schieten. Dat was heel angstig. Er zijn toen 6 of 7 mensen omgekomen.” Haar man vertelt vervolgens: “Op 18 april werd Elburg bevrijd. Maar in de nacht ervoor kwam onze onderduiker, Jan Lebbink, om het leven. Hij zat bij het verzet en is door een misverstand door eigen mensen doodgeschoten. Heel tragisch. Zijn naam staat op een oorlogsmonument.”

Na de oorlog


In mei 1945 is het hele land bevrijd, maar de impact van de oorlog is groot. Om aan te sterken wordt mevrouw Schenk met nog meer kinderen naar Engeland gestuurd. “Wij gingen met de trein naar de boot. De Johan van Oldenbarnevelt was een enorm grote passagiersschip. Vanwege mijnen in de Noordzee voer er een mijnenveger voor ons uit, we hebben er vijf dagen over gedaan. Ik vond het prachtig. Ik herinner me dat ik een boterham met gesmolten kaas kreeg. Heerlijk! In Engeland kwamen we aan in een soort kamp. Daar moesten we een aantal dagen blijven. Ik denk als quarantaine om te kijken of we geen ziektes hadden. Ik kreeg nieuwe schoenen en Iemand leerde ons wat Engelse woorden. In een zaal stond een Engelse tea klaar, het leek wel luilekkerland. Ik had heel veel geluk, werd opgevangen door een bankdirecteur en zijn gezin die op een landgoed, het Royal Farmhouse, woonden. De ouders noemde ik mummy en daddy. Ze hadden een dochter Jennifer, 3 jaar jonger dan ik en twee zoons, die zaten op kostschool. Met Jennifer ging ik mee naar school. Ik was de laatste twee jaar van de oorlog niet naar school geweest, omdat mijn school gebombardeerd was. Toen ik met kerst weer naar huis ging heb ik naalden en garen meegenomen op verzoek van mijn moeder, daar was in Nederland gebrek aan. Ook wilde ze heel graag een paar schoenen: ze liep op houten kleppers met bandjes gemaakt van autobanden. Maat 38 nam ik mee. Ik weet het nog precies.” Meneer: “We hadden weinig kleren na de oorlog en daarom kwamen er kledingpakketten uit Engeland. Ik kreeg een zogenaamde klepbroek.”
Mevrouw Schenk en de Engelse Jennifer hebben een levenslange vriendschap opgebouwd. Jennifer is vaak hier geweest en ik daar. Later gingen onze beide gezinnen mee. Mijn man en ik hebben elkaar leren kennen toen ik werkzaam was bij het Leger des heils en voor een conferentie naar Elburg kwam.”

 Mevrouw Schenk met haar Engelse vriendin.
 'Daddy en mummy'.